Overslaan en naar de inhoud gaan

Wie eist bewijst?


Wie eist bewijst?

Als je een ongeval hebt gehad dat in jouw ogen de schuld is van een ander wil je vanzelfsprekend dat diegene jouw schade vergoedt. In de praktijk is dat echter niet altijd zo eenvoudig als het lijkt. Want wat als de wederpartij de toedracht van het ongeval heel anders heeft beleefd en jou bijvoorbeeld aansprakelijk acht? Dan is het de vraag wie wat moet bewijzen om schade vergoed te krijgen.

‘Wie eist bewijst’ is een bekende kreet in de juridische wereld. Moet de eisende partij altijd alles bewijzen, of is dat te kort door de bocht? Artikel 150 van het Wetboek van Rechtsvordering bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enig bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Het is dus niet zo dat de eisende partij – degene die schadevergoeding wenst – altijd alles moet bewijzen en de gedaagde achterover kan leunen. In sommige gevallen is het zelfs andersom. Bovendien hoeft bewijs pas geleverd te worden als de wederpartij het gestelde betwist. Ik licht dit toe aan de hand van enkele voorbeelden uit de wet.

Artikel 185 Wegenverkeerswet

Dit artikel in de Wegenverkeerswet bepaalt dat wanneer er zich een ongeval voordoet tussen een op de weg rijdend gemotoriseerd voertuig en een ongemotoriseerde weggebruiker en er daardoor schade ontstaat, de eigenaar van het gemotoriseerde voertuig verplicht is om de schade te vergoeden tenzij het aannemelijk is dat het ongeval te wijten is aan overmacht.

Uit dit wetsartikel vloeit voort dat als de ongemotoriseerde schadevergoeding wil, hij/zij moet stellen dat er 1) een ongeval is geweest tussen een ongemotoriseerde en een gemotoriseerde verkeersdeelnemer, 2) dit ongeval plaatsvond op een weg en 3) uit het ongeval schade uit is voortgevloeid. Betwist de gemotoriseerde bijv. betrokken te zijn, dan zal de ongemotoriseerde – als eisende partij – zijn betrokkenheid moeten bewijzen. Als de gemotoriseerde vindt dat er sprake is van overmacht zal de gemotoriseerde van die stelling het bewijs moeten leveren.

Artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek

In dit artikel uit het Burgerlijk Wetboek wordt de juridische ‘eigen schuld’ beschreven. Het komt er op neer dat wanneer de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend de vergoedingsplicht wordt verminderd. Er moet dan beoordeeld worden in hoeverre de gedragingen over en weer hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

Als voorbeeld noem ik de situatie dat een bestuurder van een auto op een kruising geen voorrang verleent aan een motorrijder terwijl de bestuurder dat wel had moeten doen. De bestuurder van de auto verweert zich vervolgens met de stelling dat de motorrijder te hard zou hebben gereden. Met andere woorden; de bestuurder doet een beroep op de juridische eigen schuld.

Als motorrijder – in dit geval de eisende partij - hoef je enkel te stellen en evt. te bewijzen dat de automobilist jou geen voorrang heeft verleend. Dat volgt vaak al uit het feit dat er zich een ongeval op een kruising heeft voorgedaan. De bal ligt vervolgens bij de bestuurder van de auto om te bewijzen dat er sprake is geweest van 1) ‘te hard rijden’ en 2) dat de schade mede door het ‘te hard rijden’ is ontstaan. Lukt dat de automobilist niet, dan blijft de volledige schadevergoedingsplicht bestaan.

Uit deze twee voorbeelden blijkt dat uit de tekst van de wet vaak voortvloeit wie wat moet bewijzen. Dat is dus niet altijd de eisende partij, maar wel vaak degene die een beroep doet op een regel uit de wet. Diegene zou je ook als eisende partij kunnen zien. Als we weer het voorbeeld van de eigen schuld nemen, dan eist de verwerende partij immers een vermindering van de schadevergoedingsplicht. Van die eis moet de partij die er een beroep op doet bewijs leveren.

Naast een bewijsverdeling die voortvloeit uit de wet zijn er ook situaties waarin door de rechtspraak is bepaald dat er sprake is van bijzondere bewijsregels. Dat zijn vaak regels waarmee aan de bewijslast van een partij tegemoet wordt gekomen door bijvoorbeeld een bewijsvermoeden aan te nemen of de zogeheten omkeringsregel toe te passen. Het strekt te ver om daar in deze blog op in te gaan. Duidelijk is echter wel dat ‘wie eist bewijst’ genuanceerder ligt dan de zin in eerste instantie doet vermoeden. Het luistert nauw en is soms best complex.

Ten slotte is belangrijk om je te realiseren dat de bewijslast ook een bewijsrisico met zich meebrengt. Kan je niet voldoen aan de bewijslast, dan zal je vordering (gedeeltelijk) worden afgewezen. Het is daarom belangrijk om voorafgaand aan een procedure goed te inventariseren welk bewijs geleverd kan worden. Gelijk hebben is namelijk niet altijd gelijk krijgen.